Immorele behandeling van Vrouwelijke Politieke Gevangenen door Iraanse Autoriteiten

 

- Fatemeh Mohammadi, is een onlangs bekeerde christen, die in november 2017 werd gearresteerd en vervolgens veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf door het Revolutionaire Hof in Teheran. Mevrouw Mohammadi werd kort geleden vrij gelaten nadat ze haar straf had uitgezeten in de vrouwenafdeling van de Evin Gevangenis. In een open brief spreekt ze over de pijn en het lijden dat ze moest verdragen in de periode waarin ze werd ondervraagd. Mevrouw Mohammadi legt in haar brief uit, op welke manieren ze werd beledigd, mishandeld en hoe onveilig zij zich voelde vanwege haar geslacht.

de volledige tekst van Fatemeh Mohammadi’s brief:

Bij alle verhoren vroegen de ondervragers mij [of ik] sexuele relaties [heb gehad]. Bij de tweede verhoorsessie zei één van hen: “We hebben Haj Agha(1) gevraagd om met je te komen praten.” [Ik was geblinddoekt, maar] door zijnmanier van spreken geloof ik, dat Haj Agha een geestelijke was. 
De eerste vraag die hij aan mij stelde, was: “Heb je ooit met iemand een relatie gehad?”
“Wat voor relaties?” antwoordde ik. “Slechte, immorele relaties,” zei hij. Ik raakte erg gefrustreerd en zei: “Ik ben nog nooit in een relatie betrokken geweest; u belastert mij. Wat u doet, is niet goed of moreel.”
De man antwoordde: “Er is bewijs van dat u dat wel gedaan heeft.” Hij sprak op kalme en gevoelloze wijze. Al huilend vertelde ik hem: “Hoe kan er bewijs bestaan, als ik niets gedaan heb? Ik weet niet wat voor soort bewijs u tegen mijverzonnen heeft.”

Bij andere verhoorsessies vroegen ze mij: Wat deden u en die andere persoon precies in jullie seksuele relaties?” Het maakte niet uit, hoe ik er ook op aandrong dat ik nooit een seksuele relatie heb gehad, zij wilden dat niet accepteren.
Terwijl ze mij deze vragen stelden, gelastten zij mij: “Doe uw blinddoek af, draai u om naar ons en beantwoord onze vragen gedetailleerd.” Ik vertelde ze: “Het is moeilijk voor mij om over zulke zaken te spreken.” Zij antwoordden: “Schrijf het dan maar op.”
Zonder mijn antwoord af te wachten legden zij verhoorpapieren vóór me neer. 
“Opschrijven is nog moeilijker dan spreken,” zei ik. Ze gingen naast me staan en trapten tegen mijn stoel, zodat ik bang zou worden en toegeven. Tot het laatste ogenblik van verhoor stond ik onder dwang om op te schrijven wat zij mij vroegen. 
Een andere ondervrager, wiens stem anders was dan de eerdere ondervragers en die de enige was, die mij niet beval mijn blinddoek af te doen, vroeg aan zijn collega’s om mij het papier te overhandigen met de bedoeling dat ik er een verklaring op schreef. Ik kon het niet meer aan en begon te gillen.
Zij schopten mij de verhoorruimte uit en brachten me terug naar de eenzame opsluiting.

Ik moet uitleggen, dat er bij alle verhoorsessies altijd een ondervrager heel dicht bij me zat.

Een paar dagen vóór mijn arrestatie vroeg één van mijn beste vriendinnen mij om haar lievelingsgebedsvers voor te lezen. Ik heb haar het gedicht als voice bestand toegestuurd. Dit was één van mijn laatste chats. Als gevolg daarvan vonden de ondervragers dit al heel snel, toen zij mijn Telegram account onderzochten en zij lieten het horen in het kamertje vol ondervragers.
Een van hen lachte en imiteerde mijn voorlezen. Zij lachten me allemaal uit. Ze noemden me bij mijn voornaam op een zeer onbehoorlijke en beledigende manier, waarbij zij telkens heel hard lachten. Het geluid van het lachen van één van hen klonk mij in de oren alsof hij stikte. Ik voelde me heel beroerd tijdens deze sessie en voelde een ondraaglijke pijn in mijn borst; ik kon nauwelijks ademhalen en begon onophoudelijk te hoesten.

Ze probeerden mij te dwingen tot het [vals] bekennen van verboden seksuele relaties met mannen. Af en toe volgden zij een manier van vragen stellen die hen tot die conclusie zou voeren. Hun hele doel was om deze beschuldiging hard te maken en mij te dwingen een verhaal te verzinnen over seksuele relaties dat zij konden lezen en zich ermee vermaken.

Ik kon geen andere motivatie bedenken voor hun acties, omdat seksuele relaties niets te maken hadden met mijn zaak.

Tegen de heer Davood Souzanchi, die ook gearresteerd was als nieuwe bekeerling tot het christendom, hadden zij verteld: “Wist u dat Fatemeh verboden seksuele relatieshad?” En dan vertelden ze mij weer: “Wist u dat Davoodverboden seksuele relaties met vrouwen heeft gehad?”

Deze pesterijen bleven niet tot ons beperkt.  Niets ging hun te ver, zelfs niet het beschuldigen van mijn moeder van seksuele relaties. Zij noemden [mijn moeder] ook tegen de heer Souzanchi. Toen mijn moeder dit ontdekte, was zij buitengewoon overstuur.

Op de eerste nacht van mijn arrestatie, werd ik naar Afdeling 209 van de Evin Gevangenis gebracht waar de vrouwelijke gevangenisbewaarders mij dwongen me helemaal uit te kleden, terwijl zij naar mij stonden te kijken. Ik heb me succes verzet. Zij pakten zelfs mijn elastischehaarband en daardoor zat mijn haar slordig. Als zij mij ophaalden voor verhoor was ik gedwongen een wijde broek te dragen, een overjas, een wijde  hoofdbedekking (2), een chador, slippers en een blinddoek.
De hoofdbedekking die ze mij hadden gegeven was te ruim voor mijn hoofd en mijn haar bleef er op een onordelijke manier uitpieken. Toen ik uit de auto stapte, schreeuwde een ondervrager tegen mij: “Stop dat haar weg. Je maakt megek. Jij wilt mij echt niet boos zien.” De hoofdbedekkingwas echter te wijd en mijn haar bleef eronderuit komen.
De [ondervragers] schreeuwden herhaaldelijk tegen mij. Het was frustrerend om te zien dat zij zo gevoelig waren wat mijn haar betrof dat onder mijn hoofdbedekking uitstak, terwijl zij mij tegelijkertijd gevraagd hadden mijn blinddoek af te doen en naar mijn haar hadden gestaard, terwijl ze mij vroegen naar verboden seksuele relaties. Ik was helemaal in de war.
Als de mouwen van mijn overjas omhoog kropen en mijn handen en armen te zien waren, vroeg de ondervrager steeds om mijn mouwen omlaag te doen. Aangezien ik kleine, fijne handen had, bleef hij daar maar naar staren.
Bij een andere sessie vroegen ze mij naar de visie van het christendom op relaties tussen mannen en vrouwen: “Wist u, dat die en die persoon [uit de christelijke gemeenschap] relaties had met andere leden van de gemeenschap?” Ze namen onophoudelijk hun toevlucht tot karaktermoord op de christelijke gemeenschap.

Toen ik in de gevangenis zat, ging ik in hongerstaking, ook geen drinken, ondanks mijn zwakke fysieke conditie, met de bedoeling bezwaar te maken tegen de beledigingen jegens mij en omdat mijn schriftelijk verzoek om een exemplaar van de [Bijbel] was afgewezen. Op de tweede dag van mijn hongerstaking ging het heel slecht met mijn hart.
Op aandringen van mijn celgenotes, gaven de gevangenisautoriteiten toestemming om mij naar de kliniek van de gevangenis te brengen. Zij besloten een ECG (elektrocardiografie) te maken. Toen ik de ruimte binnenkwam, kwam er een man op me af, maar ik werkte niet mee, omdat het voor mij moeilijk te accepteren was dat een man een test op mij zou gaan uitvoeren.
De dienstdoende dokter, de heer Mortazavi maakte ruziemet me en gooide me de kliniek uit. Toen schreef hij een vals rapport waarin ik werd neergezet als immoreel en verantwoordelijk voor deze ellende. Een vrouwelijke agent tekende het rapport ondanks het feit dat zij geen getuige wasvan het hele incident.

Er is nog iets opmerkelijks te melden: in Afdeling 209 bedraagt de douchtijd 30 minuten. Als een gedetineerde zelfs één minuutje langer nodig heeft, doet de een vrouwelijke cipier zonder waarschuwing de deur van de douche open en begint ze te ruziën en te staren naar de gevangenen.
Het maakte niet uit, hoe vaak ik vroeg om op te houden met dat gestaar, zij gingen er gewoon mee door. Als ik tegen deze praktijk protesteerde, zeiden ze tegen mij: “Aangezien [de cipiers] vrouwen zijn, is er geen probleem.” Ze waren er zich niet bewust  dat de persoonlijke ruimte moet worden gerespecteerd, afgezien van het feit of het gaat om een man, vrouw of kind, of een blinde. 

Fatemeh Mohammadi

 

Sent from my iPhone