Iran: Plunderingen, met de steun van de Revolutionaire Garde en het kabinet van Khamenei

31 mei 2017

 

 

 De over het hele land gehouden protestdemonstraties van slachtoffers van het Caspian Kredietinstituut in een aantal Iraanse steden vestigden eens te meer de aandacht op de kritieke toestand van de Iraanse kredietinstituten en zelfs banken.

Het Caspian Kredietinstituut was in februari 2016 opgericht als een fusie van acht coöperaties, namelijk Fereshtegan, Mashhad’s Al-Zahra, Isfahan’s Hasanat, Kermanshah’s Damdaran & Keshavarzan, Mashhad’s Badr-Toos, Payvand, Gorgan’s Amir-Jalin en Mazandaran’s Keshavarzan, waarbij alle bankrekeningen en verplichtingen van sommige onderdelen werden overgenomen, met toestemming van de Centrale Bank.

Het instituut is op het moment één van de 7.000 oplichterijen die, dankzij hun contacten met de Revolutionaire Garde en het kabinet van Khamenei, hun vergunning kregen van de Centrale Bank, die zelf op geen enkele manier onafhankelijk is.

De Centrale Bank heeft op haar beurt talrijke van dergelijke instituten naar andere banken overgeheveld om zelf elke financiële verplichting te ontwijken. De instituten, zowel de naar andere banken overgehevelde als degene die een vergunning van de Centrale Bank gekregen hadden, groeiden fors onder het presidentschap van de ex-revolutionaire gardist Ahamdinejad en konden grote winsten maken dankzij de olie-inkomsten en het hoge inflatiecijfer. Maar ten gevolge van het olie-embargo, waardoor de olie-inkomsten halveerden, weigerden de kredietinstituten nog langer aan hun verplichtingen te voldoen en lieten zich de een na de ander failliet verklaren zodat ze geen rente over de investeringen hoefden te betalen, en zelfs de oorspronkelijke inleg van de investeerder niet hoefden terug te betalen. Maar de protesterende demonstranten hielden borden omhoog waarop stond “we vertrouwden de vergunning van de Centrale Bank.”

De Centrale Bank beweert echter een groot aantal van dergelijke instituten te hebben kunnen organiseren en beheren. De werkelijkheid is echter toch anders. Er zijn zo’n 7.000 dergelijke instituten die, met de steun van de Revolutionaire Garde en het kabinet van Khamenei, ten minste in de loop van de laatste tien jaar direct betrokken waren bij de plundering van tegoeden van Iraanse burgers, en die, zoals gebleken is, van de ene crisis in de andere terechtkwamen.

Afgelopen jaar gingen instituten als Padideh Shandiz, Mizan en Samen-al-Hojaj failliet. Dit jaar is het de beurt aan Caspian, en omdat de crisis van Caspian nog niet voorbij is, worden de Arman en Delfan kredietinstituten eveneens met wijdverbreide protesten van hun investeerders geconfronteerd.

Ten gevolge van het niet-transparante, roofzuchtige monetaire en financiële beleid van de regering en de Centrale Bank drinken dergelijke economische parasieten het bloed van het volk tot zij uiteindelijk faillissement aanvragen op het moment dat de mensen leeggezogen in armoede achterblijven.

Economische experts zijn van mening dat een dergelijk destructief economisch beleid een domino-effect van faillissementen op de geldmarkt gecreëerd heeft, wat geleid heeft tot het verlies van miljarden toman van de tegoeden van gewone burgers. (Aldus de website van de het officiële agentschap Jamnews, 20 mei 2017)

Het resultaat van deze plundering zal een vergrote maatschappelijke armoede zijn. Het terugdringen van armoede in de samenleving is normaal gesproken het doel van alle regeringen. Maar als dit omgedraaid wordt, betekent het niet minder dan de afbraak van de economische leefomstandigheden van de burgers.

In een rapport van 24 mei 2017 citeerde de website van het officiële Eghtesad-Online door de regering vrijgegeven cijfers: “11 procent van de Iraanse bevolking leeft onder de absolute armoedegrens.” 11 procent van een bevolking van 80 miljoen betekent bijna negen miljoen. Bovendien leeft nog eens 30 procent, bijna 24 miljoen, onder de relatieve armoedegrens. Maar dit zijn de officiële cijfers, die weinig of niet betrouwbaar zijn. Het rapport vermeldt ook dat het aantal personen dat onder de armoedegrens leeft, in de laatste tien jaar sterk is toegenomen.

In een rapport van 24 mei 2017 over de Gini-coëfficiënt meldde het officiële Afkar-nieuwsagentschap dat het rijke deel van de bevolking in 2002-2003 177 maal meer verdiende dan het arme deel. Meer recent wees Mullah Raisi er tijdens de jongste presidentscampagne bij show-debatten op dat de Iraanse Gini-coëfficiënt de laatste jaren zeven procentpunt verslechterd is, nog een indicator die aantoont dat het aantal armen in het land voortdurend toeneemt.

Terwijl andere landen overal ter wereld sociale programma’s instellen zoals subsidies, pensioenfondsen, coöperaties en sociale zekerheid, ten einde ongelijkheid te verkleinen en het sociale welzijn te bevorderen, pleegt het Iraanse Mullah-regime systematisch diefstal en werkt het corruptie in de hand, en geeft bovendien nog eens miljarden dollars uit om in Syrië ter ondersteuning van de Assad-dictatuur dood en verderf te zaaien, in Jemen de Houthi’s bij te staan, en sjiitische milities in Irak en Libanon actief te ondersteunen, wat de armoede onder de eigen Iraanse bevolking nog eens extra versterkt.

Er zijn nog andere zaken die met de armoede te maken hebben. Een belangrijk deel van de Iraanse economie onttrekt zich aan regeringscontrole, nl. sectoren als het kabinet van Khamenei, de Revolutionaire Garde en de Astan-Quds, die samen een omzet hebben van miljarden, maar vrijgesteld zijn van belastingen en van het afleggen van verantwoording. Ze importeren illegaal voor 25-30 miljard dollar aan smokkelwaar, waarmee ze het reguliere bedrijfsleven en handelaren duperen.

In een rapport d.d. 22 mei wordt gemeld dat dagelijks bijna 10.000 cheques geretourneerd worden, wat betekent dat door de diepe recessie handelaren hun schulden niet kunnen betalen, De jongste cijfers over geretourneerde cheques van de Centrale Bank betreffen het vierde kwartaal van 2016: er waren in totaal acht miljoen geretourneerde cheques met een totale waarde van 30.000 miljard toman, wat een stijging met 200 procent in waarde laat zien en met 60 procent in aantal in vergelijking met de vorige periode (aldus de officiële website van Rokna website, 22 mei 2017).

Zoals het gezegde luidt: als het werk het huis door de ene deur verlaat, komt de armoede door de andere naar binnen. Een van de door de recessie zwaarst getroffen sectoren is de woningmarkt, aldus de officiële Club van Jonge Journalisten. Door een daling van 17 procent in de eerste negen maanden van 2016 is een aantal investeerders in de woningsector failliet gegaan. Het rapport van Rokna noemt b.v. een bedrag van 43.000 miljard toman voorzien voor de woningsector, waarbij echter de recessie in deze sector zo diep is dat deze middelen niet volstaan om de crisis op te lossen.