Literatuur

Kunst en cultuur in Iran zijn gevormd door de revoluties. Net als in Turkije (onder leiding van Ataturk) is het land geëmancipeerd van een strikt religieuze gemeenschap tot een moderne staat. Alleen is er in Iran nooit een echte breuk ontstaan tussen religie en politiek. Het is een sjiitische Islamitische staat.

Doordat Iran moeilijk bereikbaar was en niet gekoloniseerd, is de blik lange tijd naar binnen gericht gebleven. Tot Napoleon waren contacten met het buitenland beperkt tot handelsbetrekkingen; toen de Fransen (Napoleon) en Engelsen (Brits India) in hun strijd tegen de USSR militaire interesse in het Perzische rijk kregen, begon Iran met de modernisering van het leger. Onder Reza Sjah, de eerste sjah van het Pahlavi-regime werd een elite van topstudenten uitgezonden naar het Westen om een opleiding te volgen. Daardoor groeide ook de kennis over het eigen verleden - over het Perzische rijk van voor de Islam. Het oude Perzie (Persepolis) van de 5e eeuw voor Christus werd het ideaalbeeld. Onder het bewind van Mohammed Reza-Sjah, de tweede sjah van het Pahlavi-regime (1941 - 1979), en met name na de oliecrisis van 1953, stonden economie, technologie en modernisering hoog in het vaandel. Ook op het gebied van de kunsten werd een inhaalmanoeuvre gepleegd. Met name de tweede vrouw van de sjah, Farah Diba, heeft veel voor de moderne kunst gedaan (o.m. festival van Chiraz op het gebied van film en performances). Omdat de bevolking de financiële- en technologische ontwikkelingen niet zo snel kon volgen raakte het land in een chaos en werd de weg geplaveid voor de Islasmitische revolutie van 1979. 

De ontwikkelingen in de kunst kunnen niet los worden gezien van de politieke ontwikkelingen. Maar omdat er zo veel politieke richtingen zijn is de situatie allesbehalve eenvoudig te begrijpen. Grofweg vallen er drie groepen te onderscheiden: de fundamentalisten, de aanhangers van de sjah (= rijke elite/conservatief ) en de linkse intellectuelen (banden met de in de jaren '40 opgerichtte en midden jaren '80 weer ontbonden communistische partij). Deze intellectuelen hebben enerzijds geprofiteerd van het bewind van de sjah (opleiding/ informatie) en werden tegelijk politiek vervolgd: moderne vormen/abstractie mocht wel, maar niets mocht een politieke betekenis hebben. Van oudsher staat de Perzische traditie bekend om haar verfijnde symbolentaal; in de moderne tijd werd die traditie noodgedwongen voortgezet - het was aan de kunstenaars om beelden te maken die iedereen kon begrijpen, metaforen van de dagelijkse werkelijkheid, maar die nooit openlijk verhaalden over de situatie in het land. 

Binnen het kamp van de moderne kunst is bovendien nog het schisma tussen degenen die vast willen houden aan de eigen identiteit en met behulp van de traditionele vormen moderne kunst willen maken - en de kunstenaars die openstaan voor Westerse invloeden. Zo botsen de hoge idealen over de taak van de kunstenaar in de maatschappij met een aan nationalisme grenzende verheerlijking van de oude waarden van Perzische cultuur. 

 

 

 Literatuur over de Perzische cultuur

Het beste boek over de gecompliceerde relatie tussen religie en politiek in Iran is The Mantle of the Prophet; religion and politics in Iran (Simon & Schuster, New York, 1985/ Chatto & Windus Ltd., London 1986) van de Iraans-Amerikaanse schrijver Roy Mottahedeh. In dit boek zijn verhaal en analyse heel mooi met elkaar verweven doordat de persoonlijke herinneringen van een hooggeplaatse mollah (Ali Hashemi) vrijwel ongemerkt overgaan in de historische analyses van de poliytieke en religieuze situatie. In Hoofdstuk 2 bijvoorbeeld gaat Ali voor het eerst naar school. Naast het verhaal over de tranen die hij vergoot nadat z'n moeder hem in de klas had afgeleverd, wordt de essentie van het onderwijs aldus verwoord: 

"School was a long, methodical and rather public exercise in learning what his teachers had decided was the proper place for things. Things in their proper place were things in order, even if the reason for that order was unclear to either teacher or pupil. There was only one proper place for him to stand in line, one proper place to write things in his notebook, one proper way to answer a question. Not only had his teachers and the Ministery of Education decided to create order by assigning everything in its proper place, they also had decided that disorder would instantly arise if no one had a final say as to what order was truly correct. The final say belonged to the teacher and to the textbook, which the teacher followed so carefully that he had learned it by heart. If the third-grade teacher and text sais that Quandahar was the second largest city of Afghanistan and the fourth-grade teacher and text said that Herat was, then Quandahar was right in the third grade and Herat in the fourth."  

 

Sadegh Hedayat

 

 

Een boek dat de Iraanse literatuur een wending heeft gegeven is De blinde uil van Sadegh Hedayat (Teheran 1903- Parijs 1951). Tussen 1928 en 1948 heeft Hedayat veel gepubliceerd in Iran: dertien romans en novellenbundels, drie theaterstukken, vier essyas, twee reisverslagen, drie verhandelingen over Iraanse folklore en zeven studies over het Phalawi, de voor-molslimse taal van Iran. Twee boeken kwamen niet door de censuur: Tup Marwarid en De blinde uil. Van het laatste boek, dat hij in 1937 schreef, maakte Hedayat in India een aantal kopieën en smokkelde deze mee naar het Westen. Het boek werd in het Frans vertaald en uitgegeven, door de franse literaire wereld als een openbaring beschreven (Hedayat is wel de Iranese Kafka genoemd) en is vervolgens in diverse andere talen uitgegeven. In de jaren '50 vertaalde Jaques Hamelink De blinde uil vanuit het Engels. In 1987 vertaalde Gert J.J. de Vries het boek rechtstreeks uit het Perzisch (uitgeverij Coppens & Frenks, Amsterdam) waarmee de eerste Nederlandse vertaling van een moderne Perzische tekst een feit was. 

 

Uit het nawoord van vertaler Gert J.J. de Vries: 

"De blinde uil is geen epos van heldhaftige geloofsstrijders. Het is ook geen lofzang op, of zelfs maar erkenning van de Islam, noch beschrijft het de luisterrijke strijd tegen ongeloof en hovaardij, of het martelaarschap. Zeker, de dood is royaal aanwezig in De blinde uil. Maar het is geen veelbelovende dood die toegang geeft tot een belonend hiernamaals. Hedayats overledenen gaan geen engelen tegemoet, geen zachtkabbelende, ondergrondse rivieren en geen bevallige houri's. Messen met benen heften, geklonterd bloed, afgehakte ledematen, krioelende wormen en rottende ontbinding: dat is het hiernamaals van De blinde uil. Met als uiterste perspectief het niets en de vernietiging, de definitieve vergetelheid. Dit is de verlossende dood van de vertwijfelde - niet de hoopvolle overgang van de godvruchtige. 'Voor mij geen hiernamaals' schrijft Hedayat. 'Als er al een God bestaat, dan zal hij toch niet zo treiterig zijn, zo pocherig, dat hij mij beslist met die andere wereld van hem wil imponeren?'.

Hedayat hield hartstochtelijk van zijn vaderland en definieerde dat als het land van de 'authentiek-Iraanse' cultuur: het Iran van Zoroaster, de Sassaniden en het Pahlawi. Vanuit die achtergrond beschouwde hij de islamisering van Iran (sinds de zevende eeuw) als niets minder dan een brutale overval, een vreemde overheersing; als de vernietiging van een sophisticated, rijke cultuur door een horde woestijn Arabieren, even bekrompen in hun opvattingen als medogenloos in hun 'bekeringen'. In 1950 heeft Hedayat zijn land voor het laatst verlaten en dit tijdstip valt niet toevallig samen met een herleving van islamitische geestdrift. Kort daarop zou Mossadegh premier worden, gesteund door een coalitie waarin de mollahs een doorslaggevend aandeel hadden. Hij heeft zijn resterende maanden doorgebracht met het nauwgezet voorbereiden van zijn suicide. Uiteindelijk was de juiste locatie gevonden, een woning met een gasaansluiting in de rue de Championnet. Hij heeft alle tochtgaten zorgvuldig dichtgestopt, resterende manuscripten verbrand en zich toen vergast: op weg naar het niets, de definitieve vergetelheid. 

Goed beschouwd laat Hedayats werk zich typeren als een lange zoektocht naar wat hij voor het echte, oorspronkelijke Iran hield. Zijn novellen beschrijven dikwijls de gewone, alledaagse Perzen, uit de stad of het platteland, zonder kapsones en met een woordenschat die hij gretig noteerde. Een van zijn korte verhalen is berucht om zijn rijkdom aan uiterst vulgaire verwensingen. Hedayats reis naar India was een vergelijkbare speurtocht naar het Indo-Iraanse 'moederland'. Ook zijn essay over Khayyam laat zich lezen als een anti-moslim pamflet: een huldebetoon aan een van de schaarse vrijdenkers sinds 700 n. Chr., die onbekommerd de glazen liet vullen en het hiernamaals weghoonde." 

Andere in het Nederlands vertaalde boeken van Iranese schrijvers zijn Het offer, in 1969 geschreven door de eerste moderne vrouwelijke schrijfster Simin Danesjwar (Meulenhof 1995) en Reis naar Tadzjikistan door de in Nederland wonende schrijjver Nasim Khaksar. Dit boek is uit het Farsi vertaald door Anja de Beer (Van Gennep, 1994). Reis naar Tadzjikistan is geen roman maar een verslag van het verblijf van Khaksar in Tadzjikistan, september 1992, waar hij een congres bijwoont dat als doelstelling heeft: 'het hernieuwen van de banden met de rijke cultuur van de Perzische taal'. Het congres vindt plaats in een turbulente tijd, als de westerse media spreken van een burgeroorlog en het politiek gezien allesbehalve rustig is in de voormalige Sovjetrepubliek. Het congres wordt bijgewoond door vertegenwoordigers van de diverse Perzisch sprekende landen in Centraal Azie - d.w.z. behalve Tadzjieken zijn er Oezbeken, Afghanen, Iraniers en, zoals Khakar, Iraniers in ballingschap. Khaksar beschrijft, observeert, probeert de indruk die het leven van alledag geeft zo lang mogelijk vast te houden, maar kleine incidenten (de houding van zowel de Iraanse delegatie als de organiserende Tadzjieken op het congres) roepen herinneringen in hem op aan wat hij zelf in Iran heeft meegemaakt. 

"Alle aanwezige Afghanen zijn politiek actief. Ze zijn aanhangers van de Nationaal Islamitische Beweging van Afghanistan van generaal Dousatm. Ik krijg van iemand hun partijblad, De Islamitische Stem. Deze politieke organisatie strijdt tegen de Hezbi-Islami van Gubuddin Hekmatyar. Als deze de Afghaanse hoofdstad Kabul in handen krijgt, zullen zij zich tegen hem blijven verzetten. De kern van deze beweging wordt gevormd door voormalige communisten. Dit roept zoveel vragen bij me op, dat ik niet weet waar ik moet beginnen. Bij hun Nationaal-Islamitische Beweging? Bij de leuze aan het eind van hun publicatie: ‘Zuster jouw sluier is ons fort’? Hoe denken ze door de vorming van een federale islamitische staat - soms hebben ze het over een islamitische republiek - de interne problemen op te lossen? De realiteit is dat dit gebied als een wild golvende zee is en zij slechts kleine bootjes zijn die hulpeloos op de golven ronddobberen." 

________________________________________

Deze aantekeningen zijn ontleend aan een gesprek dat redacteur Els Hoek bij de voorbereiding van Hollands Vreemdgezicht had met Prof. Dr. J.T.P. de Bruin, em. hoogleraar Perzische taal en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden.