Oproep van VN-deskundigen aan het Iraanse regime om rekenschap af te leggen voor het bloedbad van 1988 markeert keerpunt.

De Verenigde Naties hebben de tekst van een bericht van zeven mensenrechtendeskundigen openbaar gemaakt waarin het Iraanse regime wordt opgeroepen rekenschap af te leggen over de slachting van politieke gevangenen in Iran in 1988.

In hun bericht aan het Iraanse regime van 3 september 2020 spraken de VN-deskundigen hun ernstige bezorgdheid uit over de voortdurende weigering om het lot en de verblijfplaats bekend te maken van duizenden personen die naar verluidt onder dwang zijn verdwenen en vervolgens in 1988 buitengerechtelijk zijn geëxecuteerd.

De speciale VN-rapporteurs hebben de Iraanse autoriteiten 60 dagen de tijd gegeven om opheldering te verschaffen over alle zaken die onder hun aandacht zijn gebracht. Na die 60 dagen zouden het bericht en de ontvangen reacties openbaar worden gemaakt via de website van de communicatieafdeling. Zij zullen vervolgens allemaal worden opgenomen in het gebruikelijke verslag aan de Mensenrechtenraad.

De deskundigen herhaalden: "We vrezen dat de feiten kunnen neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid." Zij zeiden dat, als de Iraanse autoriteiten "blijven weigeren hun verplichtingen uit hoofde van de internationale mensenrechtenwetgeving na te komen, wij de internationale gemeenschap oproepen actie te ondernemen om de zaken te onderzoeken, onder meer door een internationaal onderzoek in te stellen".

Deze stap van VN-deskundigen is het resultaat van tientallen jaren van inspanningen van het Iraanse Verzet om het regime verantwoordelijk te stellen voor de massamoord op 30.000 politieke gevangenen in Iran in 1988.

"Het bericht van de VN-deskundigen betekent een gedenkwaardige doorbraak. Het markeert een keerpunt in de langdurige strijd van de families en overlevenden van de slachtoffers, gesteund door Iraanse mensenrechtenorganisaties en Amnesty International, om deze misdaden op te helderen en waarheid, gerechtigheid en genoegdoening te verkrijgen," zei Diana Eltahawy, adjunct-directeur voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika van Amnesty International.

De VN-deskundigen die het bericht van september 2020 hebben uitgebracht zijn Liciano Hazan, voorzitter-rapporteur van de Werkgroep voor gedwongen of onvrijwillige verdwijningen; Agnes Callamard, de speciale rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies; Clement Nyaletsossi Voule, de speciale rapporteur voor het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging; Javaid Rehman, de speciale rapporteur voor de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran; Fionnuala Ni Aolain, de speciale rapporteur voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme; Nils Melzer, de speciale rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen; en Fabian Salvioli, de speciale rapporteur voor de bevordering van waarheid, gerechtigheid, herstel en garanties voor niet-herhaling.

In hun bericht aan de Iraanse autoriteiten verklaarden de deskundigen "verontrust te zijn door de beschuldigingen dat de autoriteiten weigeren om de families nauwkeurige en volledige overlijdensakten te verstrekken, de vernietiging van massagraven, de voortdurende bedreigingen en intimidatie van de families, het gebrek aan onderzoek en vervolging voor de moorden en de verklaringen van de regering die de zaken ontkent of bagatelliseert en de kritiek op de moorden gelijkstelt aan steun aan terrorisme".

Zij benadrukten dat "van een gedwongen verdwijning sprake blijft zolang het lot en de verblijfplaats van de betrokken persoon niet zijn vastgesteld, ongeacht de tijd die is verstreken, en dat de familieleden recht hebben op de waarheid, wat betekent dat zij het recht hebben om alles te weten te komen over de voortgang en de resultaten van een onderzoek, het lot of de verblijfplaats van de verdwenen personen, en de omstandigheden van de verdwijningen, en de identiteit van de daders. "Wij benadrukken dat deze verplichting van toepassing is op elke persoon die naar verluidt onder dwang is verdwenen of onrechtmatig is gedood, ongeacht of het gaat om burgers of om ‘terroristen’ of om bedreigingen van de nationale veiligheid volgens het eigen nationale recht."